Bijverdienen in de bijstand

Bijverdienen in de bijstand kan, maar is aan strenge voorwaarden onderworpen. Met het Amsterdamse Experiment met de Bijstand valt er voor bijstandsgerechtigden wel iets meer te kiezen. Afzien van het ‘vrijgelaten’ deel van je eigen inkomsten uit een parttime baan kan soms voordeliger zijn, voor deelnemers aan het experiment. Tekst Joop Lahaise / Marcel Schor Beeld George Maas/Fotonova

0
834
Met de zomer in aantocht zijn veel horecabedrijven op zoek naar extra oproepkrachten. Een parttime baan naast je uitkering? De moeite van het uitzoeken waard (personen op de foto komen niet in dit artikel voor). | @George Maas/Fotonova
Met de zomer in aantocht zijn veel horecabedrijven op zoek naar extra oproepkrachten. Een parttime baan naast je uitkering? De moeite van het uitzoeken waard (personen op de foto komen niet in dit artikel voor). | @George Maas/Fotonova

Er is iets vreemds aan de hand met de bijstand. Wie in de bijstand zit, mag in principe niet langer dan zes maanden bijverdienen. Terwijl werk vinden toch het ultieme doel van de uitkering is. En er zijn uitzonderingen. Moeders met kleine kinderen bijvoorbeeld. Zij mogen een tijdlang parttime werken naast hun uitkering. Ook bijstandgerechtigden die gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn en bijstanders (vanaf 27 jaar) die net een baantje hebben gevonden, hoeven niet meteen al hun eigen verdiensten in te leveren. En dan zijn er nog de experimenten in diverse steden, waaronder Amsterdam.

Toch is ‘bijverdienen’ niet iedere bijstandsontvanger gegund, terwijl het zo logisch lijkt. Werk, hoe beperkt ook, verkleint immers de afstand tot de arbeidsmarkt. Een parttime baan kan een opstap zijn naar een volledige baan tegen ten minste het minimumloon (bruto 1.616,- per maand). Het idee achter de bijstand – en de Participatiewet – is per slot van rekening ‘mensen activeren en aan het werk zien te krijgen’.

De Participatiewet, waar de bijstand onder valt, schrijft voor dat een bijstander maximaal 209,- per maand mag overhouden van zijn eigen verdiensten. Jazeker, ‘overhouden’ want strikt genomen is er nooit sprake van bijverdienen. De bijstand vult iemands inkomen – of het totaal ontbreken van inkomsten – aan tot het sociaal minimum. Wie zelf nog wat verdient, kan dus in theorie tot ruim tweehonderd euro boven bijstandsniveau uitkomen. Dat komt neer op 1.183,- netto per maand (exclusief vakantietoeslag) voor een volwassen (21-plus) alleenstaande tot de aow-leeftijd. De term voor het bedrag dat je mag overhouden heet ‘vrijlating’.

Toch noemen we een parttime baan of werk als freelancer/flexwerker in de bijstand ‘bijverdienen’. Bijstand is het laatste sociale vangnet. Als je een inkomen hebt dat onder de 70 procent van het wettelijk sociaal minimum ligt – het bijstandsniveau – heb je recht op een aanvulling. En die aanvulling heet bijstand.

Bijverdienen is dus een misleidende term. Het moet zijn: U heeft inkomsten uit werk en de sociale dienst vult het aan.

Angst voor basisinkomen

Piet van der Lende is al tientallen jaren het gezicht van de Bijstandsbond. Ook Van der Lende stelt: “Bijstand is het laatste vangnet als er geen of te weinig inkomsten zijn uit werk of uitkering.” Met uitkering doelt Van der Lende op ww, wia, Ziektewet of een andere werknemersverzekering.

Van der Lende heeft moeite met het uitgangspunt van de bijstand en de verschillende bijverdienregelingen. “Daar wordt al jarenlang discussie over gevoerd. En die begint altijd met de hoogte van de bijstand. Stijging wil men slechts beperkt, uit vrees dat mensen anders in de bijstand blijven zitten.”

Dat geldt dus ook voor het bijverdienen. De maximale vrijlating van 209,- wordt daarbij vaak niet eens gehaald, door te weinig verdiensten in combinatie met alle beperkende voorwaarden en ingewikkelde regels. Een moeder met jonge kinderen tot 12 jaar mag bijvoorbeeld 6 maanden lang maximaal 25 procent van haar inkomsten houden, tot 209,- en daarna 30 maanden lang nog maar 12,5 procent.

Volgens Van der Lende vreest politiek rechts vooral dat bijstand plus vrijlating te dicht in de buurt van het minimumloon komt. Bijstanders zouden ‘dan niet meer te motiveren zijn’ om zich uit de bijstand te werken.

Toch telt Amsterdam volgens de gemeente meer dan drieduizend bijstandsgerechtigden met inkomsten uit een parttime baan: in februari dit jaar 3.400 van de circa 40.000 bijstanders. In 2016 waren het nog maar 2.800.

Patstelling rechts en links

Van der Lende: “Dat bijstanders werken is vooral om onder de mensen te zijn en zich te kunnen ontplooien. Links vindt dat het minimumloon omhoog moet om armoede te voorkomen. Dat vindt de Bijstandsbond ook. Dan kan ook de bijstand omhoog. De patstelling tussen rechts en links leidt tot het compromis van de ingewikkelde bijverdienregeling”

Piet van der Lende ziet een basisinkomen als alternatief. “Maar dat kun je alleen in Europees verband regelen. Zie de fraude van Polen met de ww.”

Maaike Zorgman, bestuurder FNV Uitkeringsgerechtigden, is juist een uitgesproken voorstander van een basisinkomen, al is daarover flink wat discussie binnen de vakbond. “De sector Uitkeringsgerechtigden is een groot voorstander van een basisinkomen voor iedereen: werkenden en uitkeringsgerechtigden. Een basisinkomen als basis waarbij het toeslagensysteem en aanvullingen blijft bestaan. Vergelijk het met de aow. We moeten af van een systeem waarbij je afhankelijk bent van betaalde arbeid. Ook met het oog op de nabije toekomst waarbij door robotisering steeds minder mensen nodig zijn. Jammer genoeg is er weinig politiek draagvlak voor.”

Armoedeval

In de discussie over de bijverdienregeling en het verschil tussen maximale bijstand en minimumloon speelt het dilemma van de armoedeval. Vanuit de bijstand naar een betaalde baan pakt vaak ongunstig uit, zeker als er sprake is van schulden. Mensen verliezen hun recht op voorzieningen zoals kwijtschelding van lokale belasting en krijgen minder huur- en zorgtoeslag. En als klap op de vuurpijl kloppen deurwaarders aan met een loonbeslag. In dat geval schiet je als bijstander weinig op met je zuur verdiende loon. Dan kan in de bijstand blijven zitten met een klein baantje uitkomst bieden.

Maar Piet van der Lende waarschuwt: “Bij de verrekening van inkomsten worden veel fouten gemaakt. WPI stuurt geen toelichting op haar berekening, waardoor mensen hun uitkeringsspecificatie niet begrijpen. Vervolgens moeten mensen een bezwaarschrift sturen om uitleg te krijgen. Het Socrates-systeem (computersysteeem van WPI, red.) kan bijverdiensten niet goed verwerken.”

Inkomstenverrekening bij parttime werk is ingewikkeld, klinkt het ook bij de sociale dienst zelf. Wat het lastig maakt, is dat in het merendeel van de gevallen de inkomsten achteraf verrekend moeten worden met de bijstand. Amsterdam is, net als een aantal andere gemeenten, continu bezig dit proces te verbeteren.

Amsterdam 1985, kantoor sociale dienst Karel Dujardinstraat: Ik voeg mij bij de soos om bijstand aan te vragen nadat ik ben afgestudeerd en mijn studiebeurs is beëindigd. Sinds enige tijd werk ik als oproepkracht bij een taleninstituut, met sterk wisselende inkomsten. Te onzeker om huur, energie en boodschappen van te betalen. Soms juist een geweldige maand, van wel 2.000,- gulden, zo leg ik de klantmanager uit. Ze vraagt: ‘Hoe lang denkt u bijstand nodig te hebben?’ Ik solliciteer me suf en ben optimistisch. Ondanks de werkloosheid is er in de jaren ’80 ook al sprake van een dreigend lerarentekort. ‘Hooguit een half jaar’, antwoord ik hoopvol. De sociale dienst-medewerkster: ‘Nou, dan kunt u uw bijverdiensten maar beter niet opgeven, want met wisselende inkomsten kan onze computer op de Vlaardingenlaan niet uit de voeten.’ Maar ja, dat waren de jaren ’80.

Worstelen met inkomstenverrekening

Maaike Zorgman beaamt: “Het computersysteem van de Amsterdamse sociale dienst is niet in staat om wisselende verdiensten foutloos te registreren. Alle gemeentes worstelen met dit probleem en zijn constant op zoek naar oplossingen.”

Van der Lende noemt nóg een probleem met de bijverdienregeling: “In de voorschriften staat dat de bijverdienregeling altijd wordt toegepast, maar dat is in de praktijk niet het geval omdat sommige klantmanagers vergeten om de cliënt op de bijverdienregeling te wijzen.”

Feit is dat nog geen 10 procent van de Amsterdamse bijstanders bijverdient. Hoeveel van de resterende ruim 90 procent dat zou kunnen én mogen, is onbekend. De Participatiewet stelt als voorwaarden:

  • Vanaf 27 jaar gedurende 6 maanden dat er sprake is van een eigen inkomen. Daarvan mag 25% worden gehouden, tot het maximum van 209,-. Dankzij een wetswijziging in 2017 hoeven die maanden niet aaneensluitend te zijn.
  • Alleenstaande ouders met jonge kinderen kunnen maximaal 6 (25%-regeling tot 209,-) plus 30 maanden 12,5% van hun inkomsten houden tot 132,56 per maand.
  • Indien is vastgesteld dat er sprake is van medisch urenbeperktheid, oftewel gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. De vrijlating bedraagt dan 15% van het inkomen, tot een maandelijks maximum. Er geldt geen maximale duur aan de vrijlating.

Bij het berekenen van de vrijlating telt het hele bruto loon mee, dus ook eventuele vakantietoeslag en eindejaarsuitkering. Ook het partnerinkomen telt mee.

advertentie Regenboog Groep

Experiment met de bijstand

Dat niet iedere bijstander zomaar mag bijverdienen was aanleiding tot het Amsterdamse Experiment met de Bijstand, als reactie op de verplichte tegenprestatie. Wie binnen het experiment mag bijverdienen, kan een premie van ten hoogste 200,- per gewerkte maand ontvangen, die de gemeente twee keer per jaar uitkeert. De premie is maximaal 50 procent van het zelfverdiende geld. In de Participatiewet staat dat de gemeente per cliënt per jaar maximaal 2.500,- (in 2018 lag de premie enkele tientjes lager) per jaar aan premie mag geven. Deze premie is onbelast.

De premie heeft daarmee geen invloed op toeslagen (zorg, huur). Op deze manier wil de gemeente werken in de bijstand bevorderen. De gewone vrijlating op bijverdiensten is namelijk niet onbelast.

Wethouder Rutger Groot Wassink kwam in 2015, toen nog als raadslid voor GroenLinks, met een motie waarin hij verzocht om beleid waarin bijstanders worden vrij gelaten, en dat ze de mogelijkheid geeft om bij te verdienen. Dat is het huidige experiment geworden.

Premieuitbetaling kan kwijtschelding verhinderen

De Bijstandsbond waarschuwde onlangs dat de premieuitbetaling gevolgen kan hebben voor de kwijtschelding van gemeentelijke belastingen. De dienst Gemeentelijke Belastingen kijkt wat er op je rekening staat en die kan in één klap met 1.200,- stijgen. Als op dat moment – uitbetaling van de premie – iemands vermogen wordt getoetst betekent dat alsnog gemeentebelastingen betalen. Dan ben je als bijstander terug bij af.

De sociale dienst bevestigt met de afdeling Kwijtscheldingen van de Gemeentelijke Belastingen in contact te staan om te volgen of die situaties zich ook echt voordoen. Er zijn nog geen afwijzingen van kwijtschelding alléén op grond van de premie bekend. In 2018 ontvingen 1.500 bijstandsgerechtigden een premie in het kader van het experiment. Alle reden dus om altijd kwijtschelding aan te vragen, als je aan de criteria voldoet en ook aan het Amsterdamse Experiment met de Bijstand meedoet.

Zit de Vrijstelling het experiment dwars?

De inkomstenvrijlating ligt wettelijk vast. De Amsterdamse premie wordt hierop in mindering gebracht. Uitleg staat op www.amsterdam.nl, in de vorm van een rekenvoorbeeld van een bijstander die aan het experiment meedoet:

Een alleenstaande ontvangt een bijstandsuitkering van 937,- per maand. (Terzijde: in 2019 bedraagt de bijstandsuitkering 974,- excl. vakantietoeslag, red.) In maart verdient hij of zij 300,- met parttime werk. Dat levert 937 min 300 = 637,- ‘aanvullende bijstand’ op. U bouwt nu ook premie op. In maart is dat 150,- (de helft van het parttime loon). Stel dat u ook al een inkomensvrijlating van (bijvoorbeeld) 75,- heeft in maart. Dan wordt de inkomensvrijlating in mindering gebracht op de premie van 150,- U ontvangt dan nog (150 premie-opbouw min 75 inkomensvrijlating) 75,- aan premie.

De 75,- in dit rekenvoorbeeld is dus de vrijlating, oftewel 25 procent van het zelfverdiende loon. De maximale premie, vanwege het experiment, van 50 procent zou in dit geval 150,- opleveren maar daar wordt de vrijlating weer van afgetrokken. Er blijft dus een premie van 75,- over.

Kun je als bijstander voor alléén de premie kiezen? Die bedraagt immers 50 procent van je loon en kan dus hoger uitvallen dan de vrijlating. Bovendien kan het gedoe schelen met toeslagen. Ja, die keuze is er, zo bevestigt WPI. Van de vrijlating hoef je geen gebruik te maken. Wie aan het experiment meedoet, kan er voor kiezen om alleen de premie te ontvangen.

Voor sommige bijstandsontvangers kan dat iets gunstiger uitpakken, andere kunnen het maandelijkse extraatje van de eigen verdiensten niet missen.

Maaike Zorgman: “De Participatiewet stimuleert niet om bij te verdienen. Het is ingewikkeld en levert weinig op. Om bijverdienen aantrekkelijk te maken moet je een ander systeem bedenken. Ook omdat er op de arbeidsmarkt steeds meer kleine banen komen en meer mensen worden gedwongen werk met bijstand te combineren.” Over het Amsterdamse experiment: “Daarmee wordt gestimuleerd dat die kleine rottige baantjes blijven bestaan. Werkgevers werken er graag aan mee, ook al omdat er een subsidiesysteem aan vast zit. Die ingewikkelde Participatiewet komt voort uit onze Nederlandse arbeidsethos, waarin we een basisbaan belangrijker vinden dan een basisinkomen.”

Dit artikel kwam tot stand met medewerking van de Amsterdamse sociale dienst (Werk, Participatie & Inkomen, WPI)

Een paar dagen op de markt of in een winkel werken kan lonen, dankzij de vrijlating en soms meer via de premie in het Amsterdamse bijstandsexperiment (personen op de foto komen niet in het artikel voor). | @George Maas/Fotonova
Een paar dagen op de markt of in een winkel werken kan lonen, dankzij de vrijlating en soms meer via de premie in het Amsterdamse bijstandsexperiment (personen op de foto komen niet in het artikel voor). | @George Maas/Fotonova

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here